Heb je ooit bij de scouts wel eens vuur moeten maken? Je hebt daar drie elementen voor nodig: zuurstof, brandbare stof en warmte. En veeeeeeel geduld. Met een stokje heel lang draaien en zachtjes blazen. Met het brandbare materiaal dichtbij genoeg komen. Alles gedoseerd. 

Zo is het met Gods woorden ook.

 

Die hebben zuurstof nodig. Ruimte in ons leven. En brandstof: onze bereidheid om zèlf in vuur en vlam te komen staan (of ketst het op ons af?). En veel tijd. Concentratie. Heel lang wrijven: de verhalen op je eigen leven laten inwerken. Telkens opnieuw, telkens opnieuw. Een repetitieve beweging. ‘s Zondags in de kerk. Elke dag thuis. Een beetje aanblazen. En dan, na heel lang, kan er soms een vonkje komen. Dat opvangen. Nog blazen. Het wordt een vlammetje. Het brandbaar materiaal bij duurzamer materiaal brengen. We hebben anderen nodig. Bevestiging, nabijheid, steun. Zo wordt het een warm, levendig vuur. Gods vlam in onze pan. Dat is het Pinksterverhaal uit de bijbel (Handelingen 2). Ze waren bij elkaar, Jezus’ vrienden en familie. Wat hadden ze de voorbije weken veel meegemaakt. Nu was Jezus weg. Hoe moest het nu verder? Maar dan lezen we dit: 

“Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, en allen werden vervuld van de heilige Geest ....”

Een samengaan van ons geduld, ons samenzijn, onze ruimte, onze ontvlambaarheid, met die vonk van God. Dat is Pinksteren. Dat is kerk zijn. God en mensen samen. Dàt vuur wil een lópend vuur zijn, in jou en mij, de wereld door, naar de mensen toe die warmte zo goed kunnen gebruiken.